Het ware gevoel van Keith Richards
Journalisten die niet verder kijken dan hun neus lang is mogen het er graag over hebben: de tegenstelling tussen ’de zakenman’ Mick Jagger en ‘de artiest’ Keith Richards. Wie echter de Stones ooit live heeft gezien kan niet anders dan bewondering hebben voor de tomeloze inzet van ‘frontman’ Mick Jagger en zijn talent om zelfs de achterste rijen van een stadion aan zich te binden. En Keith? Natuurlijk oogt Keith als mr. Rock’n’roll (en soms als een verwaaide artiest met al die ‘good luck charms’ in zijn haar), maar ook hij treedt tenslotte niet gratis op.
Een ander onderwerp waar de pers maar niet genoeg van kan krijgen: Keith’s imago van de slechterik van de rock’n’roll, die in zijn eentje het hart en de ziel zou vormen van the Rolling Stones. Sinds het verschijnen van de CD ‘Bridges to Babylon’ (1997), waarop naast een reggae-nummer twee ballads staan van Keith, hebben de media iets ‘nieuws’ ontdekt: de man die bekend staat als Keef Riff Hard blijkt over een gevoelige kant te beschikken. De echte fans wisten dat natuurlijk al lang.
Als Keith Richards in 1979 met Ron Wood’s gelegenheidsband the New Barbarians het toneel betreedt om twee smartlappen te zingen – ‘Let’s go steady’ en ‘Apartment no. 9’ – is dat geen toeval. Ze behoren tot het vaste repertoire van Keith, dat hij, als hij in een meer sentimentele bui is, graag in de beslotenheid van zijn hotelkamer of studio ten gehore brengt. Na zijn arrestatie wegens heroïnebezit in Toronto in 1977 beleefde Keith één van zijn donkerste momenten. Hij had genoeg drugs bij zich om een handeltje te beginnen en de straf zou – zo was de vrij algemene verwachting - niet gering zijn. In een studio in Toronto trok hij alle registers open door gezeten achter een piano enkele – ongetwijfeld van Gram Parsons geleerde – tearjerkers te spelen. De ene country ballad na de andere passeerde de revue. Bijzonder was de Hoagy Carmichael ballad ‘the Nearness of you’; het gevoel droop eraf. Deze en vergelijkbare opnamen zijn uiteindelijk terecht gekomen op bootleg CD’s als ‘Jam-Keith Richards’ en ‘Unknown Dreams’. Uit nummers als ‘Say it’s not you’, ‘Oh, what a feeling’ ‘Apartment no. 9’ en het van de Everly Brothers bekende ‘All I have to do is dream’ spreekt bovenal de sentimentaliteit van Keith. Even los van zijn ruwe bolster imago, toont Keith Richards een behoorlijk blanke pit. Zijn versie van ‘’The Nearness…’ bereikte via via zelfs de componist Hoagie Carmichael, die Keith in 1982 speciaal opbelde om hem met het resultaat te complimenteren. In 2003 speelde Keith het nummer onder meer in De Kuip in Rotterdam.
Op officiële platen is Keith zelden te beluisteren zoals hij op genoemde illegale CD’s te horen is. De reden? Waarschijnlijk hebben platenbazen en het grote publiek geen behoefte aan een Keith Richards die niet beantwoord aan het imago van de gitaar spelende rock’n’roll junkie. ‘Happy’ en ‘Before they make me run’ zijn Keith op het lijf geschreven, maar een song als ‘Angie’? Typisch een nummer dat alleen door Mick geschreven had kunnen worden zeiden de ‘Stoneskenners’. Wie Keith achter de piano heeft horen zingen weet wel beter. Keith is minstens zo bedreven in het schrijven van tranentrekkers als Mick. Waar Jagger nogal eens de neiging heeft om zijn meer langzame nummers te verpakken in een quasi grappige country-sound (‘Dear Doctor’, ‘Faraway Eyes’, ‘Evening Gown’) bezingt Keith zijn gevoelens zonder enige schaamte.
In 1979 verscheen op ‘Emotional Rescue’ de eerste solo gezongen typische Keith ballad ‘All about you’, droevig en cynisch tegelijk. Keith kondigt het nummer tijdens de ‘Babylon-tour’ (1997) aan met de mededeling: “I was in a good mood that day.” En in een interview: “it’s nice to sing lines like, ‘you’re the first [bitch] to get laid but always the last [bitch] to get paid’”. Nice indeed Keith! Als het nummer al over een zekere blondine gaat, dan in elk geval niet over een dode blondine!
Sinds 1978 heeft elke Stones LP een Keith nummer, soms zelfs meer dan één. Na ‘You got the silver’ (1969, niet echt een ballad), ‘Happy’ (1972), de Keith bijdrage aan ‘Goat’s Head Soup’ ‘Coming Down Again’ (1973) en zijn solosingel ‘Run Rudolph Run’/’The harder they come’ (1978) verschijnen tussen 1978-2002 achtereenvolgens:’Before they make me run’, ‘All about you’, ‘Little T&A’, ‘Wanna hold you’, ‘Too Rude’, ‘Sleep tonight’, ‘Can’t been seen’, ‘Slipping away’, ‘The ‘Worst’, ‘Thru and thru’, ‘Ýou don’t have to mean it’, ‘Thief in the night’, ‘How can I stop?’ en ‘Losing my touch’. Naast het zeer pakkende ‘Before they make me run’, zijn het toch vooral de ballads waarmee Keith zijn solo-kwaliteiten bewijst; wat mij betreft met name de ballads op ‘Voodoo Lounge’ (1994) en ‘Bridges to Babylon’ (1997), en het aan ’40 licks’ (2002) toegevoegde ‘Losing my touch’. Een aparte traktatie vormt de liefdadigheidssingel ‘Hurricane’, welk nummer afkomstig is van de ’40 licks’ sessies en wat mij betreft beter dan ‘This place is empty’ van ‘A Bigger Bang’ (2005). ‘Infamy’, ook van ‘A Bigger Bang’ is uitstekend.
En dan zijn er natuurlijk nog de Richards platen ‘Talk is Cheap’ (1988) en ‘Main Offender’ (1992), waarop juweeltjes prijken als ‘Locked Away’ en ‘Hate it when you leave’.
Het blad ‘Mojo’ (nov. 1997) wordt er lyrisch van: “It’s been wonderful getting to know the soulful, vulnerable Keith Richards of Locked Away, Thru and Thru, How Can I stop.” Keith zegt dat hij dergelijke songs vijftien tot twintig jaar geleden niet had kunnen schrijven. “I wouldn’t have been able to put it over with the right attitude.” Het vergt inderdaad een zekere leeftijd/rijpheid om ballads als deze ten gehore te brengen en eerlijk gezegd ook om ernaar te luisteren. De recensenten (en liefhebbers) zijn met Keith wat ouder en milder geworden. Zie bijvoorbeeld ‘Q Magazine’ (nov. 1997) over ‘How can I stop’’: “beautiful moody ersatz soul whose emotional punch is 100 percent authentic.” Het blad “Rolling Stone” (dec. 1997) doet er nog een schepje bovenop: “They see him [Keith] punching out chords to a rough rock song, and they imagine that’s where the whole of his heart is. But, more and more, Keith Richards strength is his sentimentality.” In hetzelfde blad zegt Keith in oktober 2002: “I like ballads. Also, you learn about songwriting from slow songs.”
Uiteraard overdrijven de journalisten. Tenslotte maakt ook een stevige rocker als ‘Start me up’ een volwassen man aan het huilen. Ballads zijn minder rock-cliché-matig (daarom vaak verrassender), passen niet bij het macho imago van Keith en vallen daarom meer op. Maar om nu te beweren dat de kracht van Keith Richards exclusief in zijn sentimentaliteit ligt doet geen recht aan zijn Stones-bijdragen, aan de fantastische gitaarriffs in nummers als ‘Carol’, ‘Satisfaction’, ‘Rip this joint’…, om er maar eens volstrekt willekeurig drie te noemen. De lezer is ongetwijfeld in staat om er nog eens tientallen aan toe te voegen. De ballads en de rocksongs reflecteren beide de stemmingen van de muzikant en vullen elkaar aan. Van de solonummers die Keith op de officiële Stonesplaten uitbrengt zijn de ballads heel goed en het is voor recensenten verleidelijk om er de ware Keith Richards in te horen, omdat Keith zich ogenschijnlijk wat kwetsbaarder opstelt. Maar waarom zou Keith in bijvoorbeeld ‘Happy’ minder zichzelf zijn dan in ‘All about you’? Wie iets meer over Keith aan de weet wil komen moet in al zijn muziek duiken, of eens met de man gaan praten (Talk is cheap).
Wat mij betreft mag Keith tussen de rock-bedrijven door zo nu en dan een ballad zingen. Uiteraard ben ik in het Goffertpark (8 juni 2007) en sta ik toevallig vooraan, dan zal ik de eerste zijn om te roepen: “Hey Keith, don’t play the worst, just sing The Worst”.
René Spork, 2007