| Register
   
  
Minimize

 

1. Alexis Korner (1928-1984)

 

Harry Shapiro is de auteur van een boeiende levensbeschrijving van de man die aan de wieg stond van The Rolling Stones: Alexis Korner.

Alexis groeide op in een familie van Grieks/Oostenrijkse origine. Zijn vader was veel van huis en Alexis werd van de ene opvoeder naar de andere gesleept. Het verklaart zijn rusteloze en chaotische aard waarmee hij later een niet altijd even positief stempel drukte op zijn eigen gezinsleven. Hij verbleef in zijn jeugd beurtelings in Engeland, Frankrijk en Zwitserland en voelde zich daardoor op het continent net zo thuis als in Groot-Brittannië.

In Engeland bezocht Alexis een school voor min of meer hopeloze gevallen, Finchden Manor, waar een directeur met groot pedagogisch inzicht uit zijn jongens haalde wat eruit te halen viel.

Het leger, om preciezer te zijn de marine, leek voor een jongeman als Alexis de beste werkgever. Zo belandde hij in 1947 in Hamburg waar hij spoedig radio-uitzendingen verzorgde voor de British Forces Network. Boogiewoogie en Jazz waren zijn grote liefdes. Hij leerde er gitaar spelen en nam de gelegenheid te baat om in Parijs een concert van Leadbelly bij te wonen. Het was zo niet zijn eerste, dan toch zijn meest indringende kennismaking met de blues.

Terug in Londen in 1949 trad Alexis toe tot de band van Chris Barber en Ken Colyer. Alexis speelde er - tussen de jazz-bedrijven door - de blues, dat wil zeggen de countryblues; van elektrische gitaren moest purist Alexis Korner niet veel hebben. Jazz, blues, folk en skiffle behoorden tot de muzikale wegen die door Alexis werden bewandeld, maar zijn hart ging uit naar de blues.

Na Leadbelly was Big Bill Broonzy Alexis' grote held; met hem zou hij zelfs bevriend raken. Via Muddy Waters die in Londen optrad leerde Alexis uiteindelijk de geneugten kennen van de Chicago blues. De eerste keer dat Muddy in Engeland optrad (1958) speelde hij elektrische gitaar en dat werd hem niet in dank afgenomen. Volgens het betweterige blanke publiek kon 'echte' blues alleen akoestisch ten gehore worden gebracht. Het was de tijd dat tv-producenten een bluesartiest vroegen om tijdens het zingen met ontbloot bovenlijf op een aambeeld te slaan; zo heerlijk authentiek!

Bij zijn volgende bezoek aan Engeland speelde Muddy dus maar akoestisch, verbaasd gadegeslagen door het publiek: Britse bluesartiesten speelden inmiddels bijna allemaal elektrisch. Uitgerekend purist Alexis Korner was mede verantwoordelijk voor deze eerste (elektrisch versterkte) bluesgolf.

 

Alexis' liefde voor de blues had hem in aanraking gebracht met bluesfanaat Cyril Davies en die zag juist veel in de Chicago blues. Met Cyril richtte Alexis eind jaren vijftig in Londen de Blues and Barrelhouse Club op. Hun - soms moeizame - samenwerking leidde tot de oprichting in 1961 van de legendarische band Blues Incorporated. De Roundhouse, de Marquee en de Ealing Club boden onderdak aan deze bluesband, die een steeds grotere schare trouwe toeschouwers trok.

Blues Incorporated kende nogal sterk wisselende bezettingen. Alexis was altijd op zoek naar nieuw talent en bood vele jonge musici een kans. Charlie Watts, Art Wood (de broer van), Geoff Bradford,Jack Bruce, Ginger Baker, Eric Burdon, Dick Taylor, Mick Avory, Brian Jones, Mick Jagger en Keith Richards (om er echt maar een paar te noemen) deelden het podium met Alexis en Cyril. De Chuck Berry-inbreng van Mick en Keith stemde Alexis overigens niet echt vrolijk. Mick: "When we used to do our little Chuck Berry bit, Keith would get up and plug his guitar in and we'd go leaping in. I don't think Alexis could keep up with this because after a couple of weeks, just as we got up there, he'd go 'bap' with his thumb pick on the bottom string and break it on purpose. (...) He did this on a couple of occasions..." (Shapiro, p. 111-112). Volgens Shapiro brak Alexis wel vaker een snaar. Ach, misschien zit er bij Mick nog wat oud zeer over die keer dat Blues Incorporated een radio-uitzending mocht doen voor de BBC en Alexis zanger Art Wood verkoos boven Mick Jagger. Uiteindelijk zong ook Art Wood niet en namen Alexis en Cyril zelf de vocalen voor hun rekening.

 

Ook Keith laat zich niet altijd positief uit over Blues Incorporated. Volgens hem bestond de band vooral uit goedwillende amateurs van middelbare leeftijd en beheerste hij de gitaar al snel beter dan Alexis. Aan de andere kant geeft Keith toe dat er zonder Alexis geen Rolling Stones zouden zijn geweest. Alexis moedigde hen aan en stond als oude rot in het vak de jongens vaak met advies terzijde.

 

Blues Incorprated bestond tot ongeveer 1967. Cyril Davies was er toen al uit. Hij vormde zijn eigen 'All Stars' band, waarmee hij optrad tot zijn dood, op 32-jarige leeftijd, in januari 1964.  

Alexis carrière kende een wisselend verloop. Met bands als New Church en CCS vierde hij met name in Duitsland grote triomfen. Verder bleef Alexis betrokken bij het door hem zeer geliefde medium, de radio. Voor de BBC verzorgde hij tal van uitzendingen. Zo was hij onder meer betrokken bij de BBC-serie 'Rolling Stones Story' (1973). 

Voor de radio deed Alexis eigenlijk wat hij als muzikant ook deed: hij bevorderde het talent van anderen. Tot vervelens toe werd Alexis nagedragen dat hij de vader was van de Britse Blues. Zijn eigen muzikale prestaties kregen veel minder de aandacht. Gedeeltelijk is dat terecht: Alexis had een weinig gelukkige hand wat betreft het maken van studio LP's. Live kwam Alexis het best tot zijn recht. "I Wonder Who" (1967) is overigens wel degelijk een zeer behoorlijke studioplaat; volgens veel liefhebbers zelfs zijn beste!

 

Van Blues Incorporated  zijn niet veel opnamen bewaard gebleven. Voor Stonesfans interessant is de uit 1972 daterende dubbel LP 'Bootleg Him' Daarop staan tal van historische opnamen van Alexis, waarvan één uit 1962 (live) met Blues Incorporated inclusief Charlie Watts.

Na zijn vertrek uit de Stones (1969) klopte Brian Jones aan bij Alexis; Brian overwoog zelfs om toe te treden tot Alexis' band New Church en ze oefenden samen. Opnamen van Jones met Alexis zijn voor zover bekend niet bewaard gebleven. In de nalatenschap van Alexis is wellicht wel de tape aangetroffen die hem ooit werd toegestuurd door de jongens van ‘Little Boy Blue and the Blue Boys’, want deze vroege (1961-1962) schuifdeur-opnamen van Mick & Keith werden in 1995 bij Christies geveild. Zie volgende hoofdstuk.

 

In 1975 verscheen 'Get off of my cloud', waarbij Keith Richards Alexis assisteerde. In 1981 kwam een live LP uit van Rocket 88 (opgenomen in 1979) waarop Alexis te horen is met Ian Stewart, Charlie Watts, Jack Bruce en anderen. Charlie Watts tekende de hoes en de tekstbijdrage op de achterkant is van Ian Stewart.

Een aantal keren speelde Alexis voor speciale gelegenheden samen met Bill Wyman, Charlie Watts, Ian Stewart en andere prominenten uit de muziekwereld. De bootleg 'Back to the Marquee' (Alexis Korner and friends, 1983, live  t.g.v. het 25-jarig jubileum van the Marquee) is daar een goed voorbeeld van; Bill Wyman zingt daarop zelfs niet onverdienstelijk 'Lawdy Miss Clawdy'. Inmiddels bestaat van dit optreden een officiële DVD.

 

Met Mick Jagger heeft Alexis geen opnamen gemaakt (en dat is natuurlijk zijn eigen schuld, want dan had hij maar met Mick als zanger van Blues Incorporated naar de BBC moeten gaan, maar ja...). Wel verscheen eind jaren negentig een tribute CD Knights of the Blues Table (vol. 1), waarop Mick Jagger meedoet. De CD is opgenomen als eerbetoon aan Blues Incorporated, met name aan mede-oprichter Cyril Davies. Dergelijke CD's vormen voor de liefhebber slechts een schrale troost; uiteindelijk blijft het zonde dat er niet meer oorspronkelijke (live)opnamen van Blues Incorporated bewaard zijn gebleven. Bij voorkeur die met ene Mick Jagger als zanger, op zo'n dampende avond in de Ealing Club, waar de vonken van het toneel zodanig oversloegen op het publiek, dat meer dan de helft van de aanwezigen naar huis ging met het idee om zelf muziek te maken. Niet slecht voor een band bestaande uit "goedwillende amateurs."    

 

Harry Shapiro, Alexis Korner, the biographie,  Londen, 1996.

 

 

 
 
 
 
 
2. Van ‘Little Boy Blue’ tot Rolling Stones, 1962-1963

 

In 1961 komt Keith Richards Mick Jagger tegen met wie hij op de lagere school heeft gezeten.
Keith: Right. In a town like Dartford, if anybody's headed for London or any stop in between, then in Dartford station, you're bound to meet. The thing about Mick and my meeting was that he was carrying two albums with him - Rockin' At The Hops, by Chuck Berry, and The Best of Muddy Waters. I had only HEARD about Muddy up to that point. So we're on the train and I say, Man, I know all Chuck Berry's licks. Mick says, You play guitar? He had a little youthclub band (Little Boy Blue & the Blue Boys), doing Buddy Holly and Eddie Cochran stuff. He was very heavily into blues, already had his connection - you couldn't get that music in England ... So I invited Mick to my place for a cup of tea. He started playing me these records and I really turned on to it. We were both still living in Dartford, on the edge of London and I was still in art school.... He also knew Dick Taylor from another school they'd gone to and the thing tied up so we try and do something. We'd all go to Dick Taylor's house, in his back room, some other cats would come along and play, and we'd try to lay some of this Little Walter stuff and Chuck Berry stuff. No drummer or anything. Just two guitars and a little amplifier... (http://www.timeisonourside.com/chron1936-61.html)
 
 

De volgende ‘Little Boy Blue’ opnamen zijn op diverse bootlegs overgeleverd en zijn te vinden op youtube:

 

Beautiful Delilah (1962)

I ain’t got you (1962)

On your way to school (1961)

Johnny B. Goode (1962)

Little Queenie (1962)

Around and Around (1962)

La Bamba (1961)

Down the road apiece (1962)

 

Bezetting:

Mick Jagger & Keith Richards

Dick Taylor- guitar&drums

Allen Etherington-maraccas

Bob Beckwith-guitar

  

 

 

In mei 1962 reageert Ian Stewart op een advertentie van Brian Jones die een groep wil formeren. Ze beginnen te oefenen met onder meer gitarist Geoff Bradford. In juni voegen Mick, Keith en Dick Taylor zich bij hen. In juli mogen ze Blues Incorporated vervangen in de Marquee. De groepsnaam wordt Rollin’, later ‘Rolling’ Stones.

 

In augustus voegt drummer Tony Chapman zich bij de Stones. Wat bass betreft wordt er gebruik gemaakt van gelegenheidsmuzikanten zoals Ricky Fenson en Colin Golding of ze spelen zonder bassist. Gitarist Dick Taylor houdt het in oktober voor gezien.

In december 1962 gaat Bill Wyman met Tony Chapnman (beiden spelen in The Cliftons) naar de Red Lion Pub om de Stones te horen. Bill heeft een grote versterker en kan spelen. Hij wordt lid van de band. Charlie Watts, drummer bij  Blues by Six/ Blues Incorporated, heeft al eens met de Stones gespeeld, maar voegt zich pas in januari 1963 bij de groep, eerst nog zo nu en dan en vanaf februari permanent.

Vanaf 24 februari maken de Stones het Station Hotel (Crawdaddy Club) in Richmond onveilig. Wie denkt dat er nooit wat bewaard wordt: ook van de roerige optredens in deze periode duikt later (2009) een tape op die wordt geveild.

 

 

A rare ¼ inch reel-to-reel tape recording of The Rolling Stones performing at the Crawdaddy Club, Richmond Athletic Association, Richmond, Summer 1963, the recording made by Paul Lucas on two reels of Agfa Magnetonband tape, approximate running time 90 minutes, running order:

1. Route 66 [complete]

2. Come On

3. Talkin' Bout You

4. Love Potion No.9

5. Roll Over Beethoven

6. Money

7. Pretty Thing [complete]

8. Jaguar & Thunderbird

9. Don't Lie To Me

10.Our Little Rendezvous [complete, Chuck Berry's rewrite of Good Morning Little Schoolgirl - this Berry song is unknown in any other version by the Stones]

11.You Got Me Running

12.Brown Eyed Handsome Man

13.Diddley Diddley Daddy [complete]

14.Money [complete];

accompanied by a c.d. of the recording and a black and white photograph of The Rolling Stones on stage at the Station Hotel, Richmond, 1963 [printed later] -- 8½x10¼in. (21.6x26cm.)

 

This recording is offered for sale without copyright, broadcast rights, performers consents, and other reproduction rights. The Buyer must apply to the relevant parties to obtain such clearance and consents as may be necessary.

 

De eerste meer professionele opname sessie vindt plaats op 11 maart 1963 in de IBC studios, Portland Place, Londen. Onder leiding van producer/engineer Glyn Johns (hij en zijn broer Andy zouden nog heel wat Stonesplaten produceren). Opgenomen worden: Road Runner, Diddley Daddy, I want to be loved, Honey what’s wrong en Bright lights Big city. De nummers staan op tal van bootlegs.Directeuren van platenmaatschappijen die de opnamen horen zien er niets in of in elk geval niet in de zanger.

 

Na het eerste optreden in de Marquee op 12 juli 1962 volgt in september of oktober de eerste opnamesessie van The Rolling Stones in de Curly Clayton Sound Studios in Londen. De bezetting is nu: Mick, Keith, Brian, Dick Taylor (gaat later naar the Pretty Things), Ian Stewart en Tony Chapman (drums). Als Tony niet drumt gebruiken de Stones ook wel Mick Avory, de latere drummer van The Kinks, Steve Harris en Carlo Little. Opgenomen worden You can’t judge a book, Soon Forgotten en Close Together. Een acetate van deze opnamen wordt in 1988 voor £ 6.000 geveild. De gelukkige eigenaar is Chris Jagger die op de radio You can’t… laat horen.

 


Van april 1963 dateert een opmerkelijke brief van Brian Jones (geveild in 2005) waarin hij de Stonesgeschiedenis tot dan beschrijft.

 

 

Brian Jones 1963 ALS- The History of the Rolling Stones A nine page autographed letter signed on blue paper, 5.5" x 7", dated April 4, 1963 from 102 Edith Grove in London (the flat Mick, Keith and Brian shared) in which group leader (at that time) Brian Jones writes out the entire story of the Rolling Stones. Absolutely amazing content with brief biographical sketches of the members, a history of how they were formed, their current performances, recordings, and their plans for the future. It is written to Doreen Pettifer (original mailing envelope included) and starts out: "Dear Doreen, Many thanks for your letter and for the great interest you have shown in the band. It is very gratifying that you should be so willing to help us to the extent you are doing so. Some information:-..." Brian then lists the personnel with a brief biographical sketch of each. At this point in Rolling Stones history, Bill Wyman and Charlie Watts had joined the band, and Ian Stewart was still a member. Jones continues: "Formation and History. The band is really an amalgamation of two bands. The one being one I formed about a year ago, and the other being a group run by Mick and Keith in S.E. London. I was introduced to Keith and we decided to pool our resources, so with Stu from my band, and Mick from Keith's we became the nucleus of the 'Stones"." Brian continues with a history of their early gigs and personnel additions and brags that "We have, I may add, a habit of breaking attendance records." Regarding their recordings: "We have signed an agreement with an independent recording company, I.B.C., who channel their releases through the major company labels. We have already cut quite a few sides, all on the commercial side. We ourselves do not know how negotiations for release are progressing at the moment." Actually, it would only be about two months before their first single, a cover of Chuck Berry's "Come On," would be released. The letter then goes on to discuss the blues and jazz and even gives the correspondent the phone number for Ian Stewart, in case she needs to get in touch with them. He closes: "Once again, we thank you for your interest in Rhythm and Blues and ourselves. It's wonderful music and deserves more recognition. We look forward to hearing from you and seeing you on the 19th. Yours Sincerely, Brian Jones. for "Rolling Stones"

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

In diezelfde maand, april 1963, komen de Rolling Stones in aanraking met Andrew Oldham en Eric Easton, met wie ze in mei een managementcontract sluiten. Ian Stewart wordt road-manager omdat Andrew 6 personen in de band teveel vindt en Ian er bovendien ‘’anders’’ uitziet. In mei sluiten de Stones, vertegenwoordigd door Brian Jones, een contract met Decca. In juni verschijnt hun eerste singel Come On/ I want to be loved.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

3. Mick Jagger & Keith Richards, songwriters

 

1963. Opgesloten in de keuken door Andrew Oldham omdat het maar eens afgelopen moest zijn met het spelen van al die covers. Eigen nummers moesten er komen. Mick en Keith mochten er pas uit als ze met een song kwamen. Dat werd As tears go by, een hit in 1964 voor Marianne Faithfull.Zo luidt althans het vaak herhaalde fraaie verhaal, maar klopt het ook? Wellicht heeft Andrew inderdaad de keukendeur een tijdje op slot gedaan, maar Mick & Keith hebben het schrijven van songs geleerd met vallen en opstaan. Er is werkelijk een waslijst aan nummers – onder invloed van Andrew? – geschreven in het popidioom van begin jaren zestig. De meeste nummers zijn hooguit curieus, maar nauwelijks het aanhoren waard. Uitzonderingen zijn Leave me alone en Goodbye girl. Sommige nummers werden aan andere artiesten gegeven bij wie ze beter pasten. That girl belongs to yesterday bijvoorbeeld werd in 1964 een hit voor Gene Pitney (1941-2006), mede dankzij zijn eigen arrangement. De Stonesversie, overgeleverd op bootlegs, mist elke kracht. Al op de eerste Stones LP uit 1964 staan een aantal eigen composities: Little by Little (Phelge, Spector), Now I’ve got a witness (Phelge) en Tell Me (Jagger/Richards). ‘Phelge’ wordt gebruikt voor het aanduiden van nummers gecomponeerd door de hele groep.

 

Onderstaand overzicht biedt een kijkje in de vroege keuken van songwriters Mick & Keith, met een enkele bijdrage van Brian Jones en Bill Wyman:

 

Titel:

Uitgebracht door:

Jaar:

Stonesversie:

 

 

 

 

01. Will You Be My Lover Tonight

George Bean

1963

 

02. It Should Be You

George Bean

1963

bootleg

03. Shang A Doo Lang

Adrianne Poster

1963

bootleg

04. So Much In Love

The Mighty Avengers

1963

bootleg (fragm.)

05. Leave me alone

 

1963

bootleg

06. When a girl loves a boy

 

1963

bootleg (fragm.)

07. Sure I do (Brian Jones)

 

1963

 

08. Each And Every Day of the year

Bobby Jameson, Thee

1964

Metamorphosis

09. I want you to know (Brian Jones, Jagger & Richards)

 

1964

 

10. Goodbye Girl (Bill Wyman)

 

1964

bootleg

11. Something Just Stick In You Mind

VashTi

1964

Metamorphosis

12. I’d much rather be with the boys (Oldham, Richards)

Toggery Five

1964

Metamorphosis

13. Go to sleep

 

1964

bootleg (fragm.)

14. I’m relying on you

 

1964

bootleg (fragm.)

15. No one

 

1964

bootleg (fragm.)

16. You must be the one

The Greenbeats

1964

bootleg (fragm.)

17. We’re falling in love

Mark Wynter (niet uitgebracht)

1964

bootleg

18. Give me your hand (Jagger)

Teddy Green

1964

bootleg (fragm.)

19. We’re waistin time

Jimmy Tarbuck

1964

Metamorphosis

20. That girl belongs to yesterday

Gene Pitney

1964

bootleg

21. Try a little harder

 

1964

Metamorphosis

22. Walkin’ thru’ the sleepy city

The Mighty Avengers

1964

Metamorphosis

23. As tears go by

Marianne Faithfull

1964

December’s Children

 

 

 

 

 

 

Manager Andrew Loog Oldham had zo zijn bijzondere producers-dromen en werkte, naar voorbeeld van Phil Spector, aan een eigen sound. Hij experimenteerde met tal van studiomuzikanten en bracht veelal instrumentale bewerkingen van bijvoorbeeld Stonesnummers uit onder de noemer ‘Andrew Oldham Orchestra.’ Niet zelden participeerden Stonesleden in de opnames. Bekend is de door Jagger gezongen versie van Da Doo Ron Ron (1964). Meer obscuur is de Stonesbijdrage aan To know him is to love him in de door Andrew geproduceerde versie van zangeres Cleo. Een zwaar bewerkte versie van The Last Time door het Andrew Oldham Orchestra vormde later de basis voor Bitter Sweet Symphony van The Verve (1997).

 

 

 

 

 

 

 

Door Brian Jones beantwoorde fanmail, 1966

 

 

 

 

 

 

          

 

 

René Spork, januari 2012

 

 

 

Copyright 2008 Forty Licks Fanclub, The Netherlands   |  Privacy Statement  |  Terms Of Use