|
De stand van zaken in de wereld van de levensbeschrijvingen van Keith is als volgt. Tot nu toe biedt Barbara Charone, Keith Richards, Londen 1979 (192 p.) het beste kijkje in de Keith Richards keuken. Zij was getuige van de befaamde Toronto arrestatie van Keith wegens drugsbezit in 1977. Keith was een zware junk en leek zijn hand in het kaartspel met Justitie te hebben overspeeld. Langdurige gevangenisstraf dreigde en het bestaan van de Stones stond op het spel. Ondertussen werken de Stones aan een van hun beste albums: Some Girls. Charone beschrijft het door drugs geregeerde huishouden van Keith en Anita Pallenberg waarin zoon Marlon nogal ‘zelfstandig’ opgroeit. Verder bevat haar boek de bekende biografische gegevens, van de ‘train reunion’ met Jagger in 1962 tot en met het door een milde rechter als straf opgelegde liefdadigheidsconcert voor de blinden in Toronto in 1979. Keith is justitie weer eens te slim af en vergroot zijn piratenstatus. Het boek van Charone bevat de nodige foto’s van Ian Stewart, waarvan er één hele hoofdstukken tekst overbodig maakt: een foto van een argwanende Bill Wyman, loerend door de ruit van een studio waar Keith bezig is met bass-overdubs.
De verhoudingen binnen de Stones zijn onderhevig aan wisselende coalities, zo waren Bill en overdub-Keith nooit de grootste vrienden, maar uiteindelijk draait alles om de relatie van het songwriters duo Keith en Mick. Dat Keith zichzelf daarbij afficheert als het muzikale integere hart van de Stones, de door passie voor muziek gedreven rebel, junkie en non-conformist, diep in zijn hart een familieman, dat is zijn goed recht. De vraag is of dat beeld, dat we ook kennen van de eerder verschenen biografieën van Victor Bockris, Keith Richards The Biography (New York 1992, 409 p.) en Stanley Booth, Keith Till I Roll Over Dead (Londen 1994, 214 p.), klopt. Frontman Jagger vindt ongetwijfeld van niet.
Anders dan Bockris is Booth een Stones-insider die bijvoorbeeld aanwezig was bij de opnamen van Let It Bleed en wiens levenspad dat van Keith al decennia kruist. Eerst dus de relatieve buitenstaander Victor Bockris, dan insider Stanley Booth en uiteindelijk de man zelf, samen met James Fox. De vraag is of het boek van Keith een meerwaarde heeft boven de andere genoemde publicaties. Keith meent duidelijk van wel, want zijn boek ontbeert elke literatuuropgave en bronvermelding, met andere woorden: al het genoteerde komt rechtstreeks uit de koker en voor rekening van Keith Richards. Wel laat Keith soms anderen aan het woord, zoals zijn vrouw Patti of vriend Bobby Keys. Opmerkelijk: niet lang voordat Keith’s boek naar de drukker ging kwam er een brief boven water van Keith aan zijn tante Pat (april 1962) waarin hij uitvoerig de beroemd geworden ontmoeting met Mick Jagger op het station van Dartford beschrijft. De brief is bijna te mooi om waar te zijn. Ik had er graag een afdruk van gezien.
Keith refereert dus niet aan andere boeken, maar put uit notitieboekjes (!), brieven, zijn geheugen (opgefrist door bezoeken aan belangrijke plekken ‘van vroeger’) en uitspraken van anderen. James Fox zal heus wel de nodige stapels interviews hebben doorgenomen en wie weet bovengenoemde publicaties. Opvallend is bijvoorbeeld de overeenkomst tussen de versie van Keith & James van het verhaal dat songwriter Hoagy Carmichael Keith in 1994 opbelt om hem te complimenteren met zijn versie van The Nearness of You (Life, p. 492-493) en de versie van Stanley Booth ( Keith Till I Roll Over Dead, p. 204). Zoals Keith het aan Stanley heeft verteld, zo tekent hij het nagenoeg ook op in zijn eigen boek, maar goed, het is uiteindelijk Keith zijn verhaal.
Life is goed geschreven, bevat hier en daar zeker nieuwe informatie en vonkt vooral wanneer Keith het over zijn enige echte passie heeft: muziek, met name zijn ‘ontdekking’ van ‘the open five-string tuning’ die hij gebruikte voor riffs in Jumpin’Jack Flash, Honky Tonk Women, Brown Sugar, Tumbling Dice, Start me Up enzovoort.
Citaat van de maand: “I’m not here just to make records and money. I’m here to say something and touch other people, sometimes in a cry of desperation: ‘Do you know this feeling?’” (p. 546).
Het romantiseren van zijn junkie en rock’n’roll bestaan en het afgeven op collega Mick zijn elementen die je ook in de andere publicaties vindt. Wat dat betreft voegt Keith weinig toe. Dat laatste is ook niet te verwachten. Het is juist aan buitenstaanders om de relatie Jagger/Richards te duiden, wellicht meer in evenwicht te brengen en op waarde te schatten. Zie bijvoorbeeld Flip Vuijsje, Keith en Mick, Utrecht 2003. Alle onvriendelijkheden over en weer hebben gelukkig nooit geknaagd aan het besef bij beide muzikanten dat ze samen meer tot stand brengen dan alleen. Niet in Life, maar LIVE vind je daarvan de beste bewijzen.
René Spork, november 2010
|